القرآن حول العالمالرئيسية
القرآن الكريم

Al-Balad (The City) – Nederlandse vertaling & Arabische tekst

About Surah Al-Balad (The City)

  • Surah 90 of 114
  • Meccan
  • 20 verses
  • Arabic name: البلد

Surah Al-Balad (البلد), "The City", is a Meccan surah with 20 verses. On Quran Around The World every verse has its own page that brings together the Arabic text, the Sa'di and Jalalayn tafsir, the English meaning and related topics. Choose a verse number below.

All 20 verses: choose one for its tafsir

Surah Al-Balad ( The City ) - Nederlands

Surah Al-Balad ( The City ) - Aya count 20

Al-Balad (The City) is een Mekkaanse soera van 20 verzen. Het is soera nummer 90 in de Mushaf en begint op pagina 594 van de Medina-Mushaf.

سورة البلد مكية، عدد آياتها 20، وترتيبها 90 في المصحف، وتبدأ في الصفحة 594 من مصحف المدينة النبوية.

سورة البلد بالعربية · الصفحة 594 من المصحف · تفسير السورة

90:1

لَآ أُقْسِمُ بِهَٰذَا ٱلْبَلَدِ ﴿١﴾

Ik zweer bij dit grondgebied,

90:2

وَأَنتَ حِلٌّۢ بِهَٰذَا ٱلْبَلَدِ ﴿٢﴾

En gij, o profeet! houd verblijf in dit grondgebied;

90:3

وَوَالِدٍۢ وَمَا وَلَدَ ﴿٣﴾

En bij den vader, en bij het kind;

90:4

لَقَدْ خَلَقْنَا ٱلْإِنسَٰنَ فِى كَبَدٍ ﴿٤﴾

Waarlijk, wij hebben den mensch in ellende geschapen.

90:5

أَيَحْسَبُ أَن لَّن يَقْدِرَ عَلَيْهِ أَحَدٌۭ ﴿٥﴾

Denkt hij, dat niemand sterker is dan hij.

90:6

يَقُولُ أَهْلَكْتُ مَالًۭا لُّبَدًا ﴿٦﴾

Hij zegt: ik heb groote rijkdommen verteerd!

90:7

أَيَحْسَبُ أَن لَّمْ يَرَهُۥٓ أَحَدٌ ﴿٧﴾

Denkt hij, dat hem niemand ziet.

90:8

أَلَمْ نَجْعَل لَّهُۥ عَيْنَيْنِ ﴿٨﴾

Hebben wij hem niet twee oogen gegeven.

90:9

وَلِسَانًۭا وَشَفَتَيْنِ ﴿٩﴾

En eene tong en twee lippen.

90:10

وَهَدَيْنَٰهُ ٱلنَّجْدَيْنِ ﴿١٠﴾

En hebben wij hem niet de twee groote wegen, des goeds en des kwaads vertoond?

90:11

فَلَا ٱقْتَحَمَ ٱلْعَقَبَةَ ﴿١١﴾

En nog is hij de helling niet afgedaald.

90:12

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا ٱلْعَقَبَةُ ﴿١٢﴾

Wat zal u doen begrijpen wat de helling is?

90:13

فَكُّ رَقَبَةٍ ﴿١٣﴾

Het is: den balling te bevrijden.

90:14

أَوْ إِطْعَٰمٌۭ فِى يَوْمٍۢ ذِى مَسْغَبَةٍۢ ﴿١٤﴾

Of te voeden in de dagen van hongersnood.

90:15

يَتِيمًۭا ذَا مَقْرَبَةٍ ﴿١٥﴾

Den wees, die ons verwant is.

90:16

أَوْ مِسْكِينًۭا ذَا مَتْرَبَةٍۢ ﴿١٦﴾

Of den armen man, die op den grond ligt.

90:17

ثُمَّ كَانَ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَتَوَاصَوْاْ بِٱلصَّبْرِ وَتَوَاصَوْاْ بِٱلْمَرْحَمَةِ ﴿١٧﴾

Wie dit doet en tot hen behoort die gelooven, en ieder ander volharding en mededoogen aanbevelen,

90:18

أُوْلَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ ﴿١٨﴾

Dezen zullen de makkers der rechterhand wezen.

90:19

وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا هُمْ أَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ ﴿١٩﴾

Maar zij, die omtrent onze teekenen ongeloovig zullen zijn, dezen zullen de makkers der linkerhand wezen.

90:20

عَلَيْهِمْ نَارٌۭ مُّؤْصَدَةٌۢ ﴿٢٠﴾

Boven hen zal zich het vuur uitstrekken.